BLOG

Vinod Subramaniam
Tijdens de NAE Innovatie Conferentie op 19 november had ik het voorrecht om een inspiratielezing te mogen geven over systemische belemmeringen voor technisch talent. Een van de dingen die me opviel toen ik in 2015 rector magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam werd, was de diversiteit van de Nederlandse studentenpopulatie, die aanzienlijk representatiever leek voor de demografie in Nederland dan wat ik bij de meeste andere universiteiten in Nederland had gezien. Als we wat dieper in de cijfers duiken, zien we dat er in 2020 ongeveer 4,2 miljoen inwoners met een migratieachtergrond waren (~24% van de bevolking) en dat dit percentage naar verwachting zal groeien tot 30-40% in 2050. Toen ik in 2021 terugkeerde naar de UT, zag ik dat de diversiteit onder de internationale studentenpopulatie in de acht jaar dat ik weg was geweest was toegenomen, maar ik zag niet dezelfde diversiteit onder de Nederlandse studenten op onze campus.
Het lijkt erop dat zowel aan hogescholen als aan universiteiten minder studenten met een migratieachtergrond voor technische studierichtingen kiezen dan je op basis van de demografische gegevens in Nederland zou verwachten. Mijn indruk is dat Nederlandse studenten met een migratieachtergrond of uit het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden vaker voor sociale wetenschappen of geesteswetenschappen kiezen dan voor STEM-richtingen.
De cijfers
NAE heeft zich verdiept in de statistieken van het CBS en een aantal zeer onthullende statistieken samengesteld (zie grafiek).
Er is gekeken naar de vijf grootste landen van herkomst (Turkije, Marokko, Suriname, Caribisch Nederland en Indonesië). Het bleek dat het percentage Nederlandse studenten met deze migratieachtergrond inderdaad achterblijft bij het Nederlandse gemiddelde, maar ook dat het absolute percentage in het MBO/HBO/WO abominabel laag is, zeker in vergelijking met het percentage in de bevolking. Hun deelname is dus bij lange na niet representatief voor de samenstelling van onze samenleving, wat suggereert dat er iets structureels aan de hand is dat getalenteerde jongeren ontmoedigt om een technische studie te volgen en een carrière in de techniek na te streven.
Wat kunnen we doen om deze barrières weg te nemen?
We zullen dit op een fundamentele manier moeten aanpakken, en het is aan ons, leiders van onderwijs en onderzoeksinstellingen en technisch bedrijfsleven om veranderingen door te voeren. Rolmodellen zijn cruciaal, maar ook structurele veranderingen op het gebied van erkenning, beloning en maatschappelijke verwachtingen.
Uit mijn ervaringen tijdens mijn periode bij de Vrije Universiteit bleek dat eerste generatie studenten vaak kozen voor studies die leidden tot carrières in beroepen die als stabiel en economisch voordelig werden beschouwd, vaak in de geneeskunde of tandheelkunde, rechten, economie en financiën. Het lijkt erop dat STEM-disciplines een negatieve reputatie of waardering hebben onder de diaspora hier. Een deel daarvan is terug te voeren op meer fundamentele problemen in het vroege schoolstelsel – die tijdens de conferentie aan de orde kwamen door Sahar Yadegari en Joost Frenken – waaronder een gebrek aan rolmodellen, systematisch onderadvies op scholen en wat lijkt op een gebrek aan erkenning en reputatie van STEM-carrières.
Aanboren van onderbenut potentieel
Wat de onderliggende redenen ook mogen zijn, het komt erop neer dat we veel potentieel mislopen en dat we moeten onderzoeken waar in het systeem veranderingen nodig zijn om dit potentieel te ontsluiten en de deuren naar technische carrières te openen.
Ik laat u dus achter met de volgende vraag: hoe gaan wij, als NAE, de systeemverandering tot stand brengen die nodig is om STEM-disciplines meer aantrekkingskracht te geven bij jongeren in het algemeen en bij specifieke doelgroepen in het bijzonder? Laten we onze hoofden bij elkaar steken en de handen ineenslaan om van ons te laten horen en te beginnen met het aanboren van het onbenutte potentieel dat binnen ons bereik ligt!
Afbeelding: Freepik


